Compacte stadsauto: Controlelampjes

Inleiding voor het onderwerp

Inleiding voor het onderwerp

Inleiding voor het onderwerp

De controlelampjes in het instrumentenpaneel geven de actuele toestand aan van bepaalde functies resp. storingen.

Bij sommige controlelampjes die gaan branden, klinken bovendien akoestische signalen en verschijnen meldingen op het display in het instrumentenpaneel.

Na het inschakelen van het contact gaan enkele controlelampjes ter controle van de werking van de wagensystemen kort branden. Indien de gecontroleerde systemen in orde zijn, gaan de betreffende controlelampjes enkele seconden na het inschakelen van het contact of na het starten van de motor uit.

ATTENTIE
  • Het negeren van brandende controlelampjes in het instrumentenpaneel alsmede de controlesymbolen op het display kan tot zware verwondingen of schade aan de wagen leiden.
  • Als om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan op een veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlichten in. De gevarendriehoek op de voorgeschreven afstand neerzetten.
  • De motorruimte van de wagen is een gevaarlijke omgeving. Bij werkzaamheden in de motorruimte dienen de volgende waarschuwingsaanwijzingen beslist te worden opgevolgd, Motorruimte.

Handrem

brandt - de handrem is aangetrokken.

Bovendien wordt een akoestische waarschuwing gegeven, als u met de wagen minstens 3 seconden met een snelheid van meer dan 6 km/h hebt gereden.

Remsysteem

brandt - het remvloeistofpeil in het remsysteem is te laag of er is een ABS-storing.

  • Stoppen, de motor afzetten en het remvloeistofpeil controleren.
ATTENTIE
  • Als het controlelampje samen met het controlelampje , Antiblokkeersysteem (ABS) brandt, niet verder rijden! De hulp van een specialist inroepen.
  • Een storing aan het remsysteem resp. aan het ABS kan leiden tot een langere remweg bij het remmen - gevaar voor ongevallen!

Gordelwaarschuwingslampje voor

brandt - de bestuurder resp. bijrijder heeft de veiligheidsgordel niet omgegespt.

Bij een snelheid hoger dan 20 km/h knippert het controlelampje en klinkt er gelijktijdig een akoestisch waarschuwingssignaal.

Als de bestuurder resp. bijrijder de veiligheidsgordel vervolgens niet binnen 90 seconden omgespt, wordt de waarschuwingstoon uitgeschakeld en brandt het controlelampje continu.

Dynamo

brandt - bij draaiende motor wordt de accu niet geladen.

  • De hulp van een specialist inroepen.
VOORZICHTIG Als tijdens het rijden naast het controlelampje ook het controlelampje gaat branden, Niet verder rijden - gevaar voor motorschade! De motor afzetten en de hulp van een specialist inroepen.

Motoroliedruk

brandt of knippert - de motoroliedruk is te laag.

Als waarschuwing klinkt bovendien een akoestisch signaal.

  • Stoppen, de motor afzetten en het motoroliepeil controleren, Controleren en bijvullen.
  • Als het controlelampje knippert of brandt, Niet verder rijden, ook als het oliepeil in orde is! De motor afzetten en de hulp van een specialist inroepen.
VOORZICHTIG
  • Het oliedrukcontrolelampje werkt niet als oliepeilindicatie! Daarom moet het oliepeil regelmatig, bij voorkeur bij elke tankstop, worden gecontroleerd.
  • Als het bijvullen van motorolie niet mogelijk is, Niet verder rijden! De motor afzetten en de hulp van een specialist inroepen.

Koelvloeistof

brandt of knippert - de koelvloeistoftemperatuur is te hoog of het koelvloeistofpeil is te laag.

Als waarschuwing klinkt bovendien een akoestisch signaal.

  • Stoppen, de motor afzetten en laten afkoelen.
  • Het koelvloeistofpeil controleren, zo nodig koelvloeistof bijvullen.

Indien het koelvloeistofpeil in het voorgeschreven gebied ligt en het controlelampje opnieuw gaat knipperen of branden, dan kan er een storing in de koelluchtventilator zitten.

  • Het contact uitschakelen.
  • De zekering voor de koelluchtventilator controleren en deze zo nodig vervangen.

Indien het koelvloeistofpeil en de zekering in orde zijn en het controlelampje  opnieuw brandt, niet verder rijden!

  • De hulp van een specialist inroepen.

Geautomatiseerde schakelbak

Storing

brandt - er is een storing aan de geautomatiseerde schakelbak.

Als waarschuwing klinkt bovendien een akoestisch signaal.

  • Niet verder rijden! De motor afzetten en de hulp van een specialist inroepen.

Functiebeperking

brandt en schakelen is niet mogelijk - om technische redenen kan er sprake zijn van een functiebeperking van de geautomatiseerde schakelbak.

  • De wagen stoppen, het contact uit- en weer inschakelen.

Als het controlelampje na het inschakelen van het contact brandt, de hulp van een specialist inroepen.

Versnellingsbak oververhit

eventueel ook brandt - de geautomatiseerde schakelbak is oververhit.

Als waarschuwing klinkt bovendien een akoestisch signaal.

  • De wagen stoppen en de versnellingsbak laten afkoelen of sneller dan 20 km/h (12 mph) rijden.

Als het controlelampje herhaaldelijk gaat branden, de wagen stilzetten, de motor afzetten en de versnellingsbak laten afkoelen.

Meer informatie, Geautomatiseerde schakelbak.

Stuurbekrachtiging

Storing in de stuurbekrachtiging

brandt - de stuurbekrachtiging is volledig uitgevallen en voor het sturen is aanmerkelijk meer kracht nodig.

brandt - de stuurbekrachtiging is gedeeltelijk uitgevallen en voor het sturen kan meer kracht nodig zijn.

  • Het contact uitschakelen, de motor opnieuw starten en een korte afstand rijden.
  • Als het controlelampje niet uitgaat, moet de hulp van een specialist worden ingeschakeld.

Losmaken van de accukabels

Als de accukabels zijn losgemaakt en weer zijn aangesloten, gaat na het inschakelen van het contact het controlelampje branden.

Na even te hebben gereden, moet het controlelampje doven.

Als de motor opnieuw wordt gestart en het controlelampje na een korte rit niet uitgaat, is er sprake van een storing in het systeem.

  • De hulp van een specialist inroepen.

Stabiliseringscontrole (ESC) / tractiecontrole (ASR)

knippert - de ESC resp. de ASR grijpt nu in.

brandt - er is een ESC- of ASR-storing.

  • De hulp van een specialist inroepen.

Omdat de ESC samenwerkt met het ABS, brandt bij het uitvallen van het ABS ook het ESC-controlelampje.

Als het controlelampje na het starten van de motor gaat branden, kan de ESC of de ASR om technische redenen uitgeschakeld zijn.

  • Het contact uit- en weer inschakelen.

Als het controlelampje na het opnieuw starten van de motor niet meer brandt, functioneert de ESC of de ASR weer volledig.

Losmaken van de accukabels

Als de accukabels zijn losgemaakt en weer zijn aangesloten, gaat na het inschakelen van het contact het controlelampje branden.

Na even te hebben gereden, moet het controlelampje doven.

Als na een korte rit het controlelampje niet uitgaat, is er sprake van een storing in het systeem.

  • De hulp van een specialist inroepen.

Nadere informatie over het ESC-systeem, Stabiliseringscontrole (ESC) of ASR-systeem, Aandrijfslipregeling (ASR)

Antiblokkeersysteem (ABS)

brandt - er is een ABS-storing.

Voor het afremmen van de wagen wordt alleen nog het gewone remsysteem zonder het ABS gebruikt.

  • De hulp van een specialist inroepen.

Bij een ABS-storing worden ook de andere rem- en stabiliteitssystemen uitgeschakeld, Rem- en stabiliteitssystemen.

ATTENTIE
  • Als het ABS-controlelampje samen met het controlelampje , Remsysteem brandt, niet verder rijden! De hulp van een specialist inroepen.
  • Een storing aan het remsysteem resp. aan het ABS kan leiden tot een langere remweg bij het remmen - gevaar voor ongevallen!

Bandenspanning

Wijziging van de bandenspanning

brandt - bij een van de banden is de bandenspanning veranderd.

Als waarschuwing klinkt bovendien een akoestisch signaal.

  • Meteen de snelheid verlagen en heftige stuur- en remmanoeuvres voorkomen.
  • De wagen stoppen, het contact uitschakelen en de banden en de bandenspanningen controleren.
  • De bandenspanning zo nodig corrigeren of het betreffende wiel vervangen resp. de bandenafdichtset gebruiken.
  • De bandenspanningswaarden in het systeem opslaan.

Systeemstoring

knippert ongeveer 1 minuut en brandt verder - er kan een storing in het systeem voor de bandenspanningscontrole zijn.

  • De wagen stoppen, het contact uitschakelen en de motor weer starten.

Als het controlelampje na het starten van de motor weer knippert, is er een systeemstoring.

  • De hulp van een specialist inroepen.

Losmaken van de accukabels

Als de accukabels zijn losgemaakt en weer zijn aangesloten, gaat na het inschakelen van het contact het controlelampje branden.

Na even te hebben gereden, moet het controlelampje doven.

Als na een korte rit het controlelampje niet uitgaat, is er sprake van een storing in het systeem.

  • De hulp van een specialist inroepen.

Andere gevallen

Voor het gaan branden van het controlelampje kunnen ook de volgende redenen bestaan.

  • De wagen is eenzijdig beladen. De lading gelijkmatig verdelen.
  • De wielen van één as zijn zwaarder belast (bv. bij bergop of bergaf rijden).
  • Sneeuwkettingen zijn gemonteerd.
  • Een wiel werd verwisseld.
VOORZICHTIG Onder bepaalde omstandigheden (bijvoorbeeld bij een sportieve rijstijl en op gladde of onverharde wegen) kan het controlelampje in het instrumentenpaneel vertraagd of helemaal niet gaan branden.

Brandstofreserve - Benzine

brandt - de brandstofvoorraad in de brandstoftank heeft de reservehoeveelheid (circa 4-5 liter) bereikt.

Als waarschuwing klinkt bovendien een akoestisch signaal.

  • Tanken.

Brandstofreserve - Aardgas

brandt - de aardgasvoorraad in de brandstoftank heeft de reservehoeveelheid (circa 1,5 kg) bereikt.

Als waarschuwing klinkt bovendien een akoestisch signaal.

  • Tanken.

Mistachterlicht

brandt - het mistachterlicht is ingeschakeld.

Uitlaatgascontrolesysteem

brandt - er is een storing in het uitlaatgascontrolesysteem. Het systeem biedt de mogelijkheid voor het rijden in een noodprogramma - er kan een merkbaar vermogensverlies ontstaan.

  • De hulp van een specialist inroepen.

Controle van motorelektronica

brandt - er is een storing in de motorregeling. Het systeem biedt de mogelijkheid voor het rijden in een noodprogramma - er kan een merkbaar vermogensverlies ontstaan.

  • De hulp van een specialist inroepen.

Airbagsysteem

Systeemstoring

brandt - er is een storing in het airbagsysteem.

Dat geldt ook als het controlelampje bij het inschakelen van het contact niet gaat branden.

De actieve staat van het airbagsysteem wordt automatisch gecontroleerd, ook als een airbag buiten werking is gesteld.

Een van de airbags of gordelspanners is met het diagnose-apparaat buiten werking gesteld

brandt na het inschakelen van het contact ongeveer 4 seconden en knippert vervolgens nog ongeveer 12 seconden.

De bijrijdersvoorairbag is met de sleutelschakelaar buiten werking gesteld

brandt na het inschakelen van het contact enkele seconden.

onder de tekst in het middenstuk van het dashboard gaat na het inschakelen van het contact branden, Bijrijdersvoorairbag buiten werking stellen.

ATTENTIE Bij een storing in het airbagsysteem bestaat het gevaar dat het systeem bij een ongeval niet wordt geactiveerd. Deze moet direct door een specialist worden gecontroleerd.

Handrem - Geautomatiseerde schakelbak

brandt of knippert - de handrem aantrekken.

Meer informatie, Geautomatiseerde schakelbak.

Rempedaal (geautomatiseerde schakelbak)

brandt - het rempedaal intrappen.

Meer informatie, Geautomatiseerde schakelbak.

Knipperlicht

knippert - het linkerknipperlicht is ingeschakeld.

knippert - het rechterknipperlicht is ingeschakeld.

Bij een storing van de knipperlichten knippert het controlelampje ongeveer twee keer zo snel.

Bij ingeschakelde alarmlichten knipperen alle knipperlichten alsmede de beide controlelampjes.

Snelheidsregelsysteem

brandt - de snelheid van de wagen wordt door het snelheidsregelsysteem geregeld.

Grootlicht

brandt - het grootlicht resp. het grootlichtsignaal is ingeschakeld.

Gordelwaarschuwingslampje achter

brandt - niet omgegespte veiligheidsgordel op de zitplaats achterin.

brandt - omgegespte veiligheidsgordel op de zitplaats achterin.

Als de veiligheidsgordel op de achterste zitplaats wordt omgegespt resp. afgedaan, gaat het betreffende lampje kort branden en geeft hiermee de actuele gordelstatus aan.

City Safe Drive

knippert snel - het City Safe Drive-systeem remt de wagen momenteel automatisch af.

knippert langzaam - het systeem is niet beschikbaar of er is een systeemstoring.

Als het systeem is gedeactiveerd en de wagen met een snelheid van ongeveer 5-30 km/h rijdt, dan brandt op het display in het instrumentenpaneel het controlesymbool .

Wanneer het systeem weer wordt geactiveerd, dan gaat op het display in het instrumentenpaneel het controlesymbool ongeveer 5 seconden branden.

Meer informatie, City Safe Drive.

Start-stopsysteem

brandt - het start-stopsysteem is actief.

knippert - het start-stopsysteem is actief, de automatische motoruitschakeling is echter niet mogelijk.

knippert - het start-stopsysteem is niet beschikbaar.

Meer informatie, Start-stopsysteem.

    READ NEXT:

     Display in instrumentenpaneel

    Afb. 22 Displaytypes: MAXI DOT / segmentdisplays Afhankelijk van de wagenuitrusting toont het informatiesysteem via het display in het instrumentenpaneel de volgende informatie " afb. 22. Tijd Teller voor de afgelegde afstand Gekozen

    SEE MORE:

     Parkeerhulp achter

    WAARSCHUWINGOm letsel te voorkomen, moet u deze paragraaf over de beperkingen van het systeem hebben gelezen en begrepen. De sensoren zijn slechts een hulpmiddel om bepaalde (meestal grote en vaste) voorwerpen te ontdekken wannee

     Kinderzitjes voor verschillende gewichtsgroepen

    Babyzitje Plaats kinderen met een lichaamsgewicht van minder dan 13kg in een achterwaarts gericht babyzitje (groep 0+), dat op de achterstoel is geplaatst.Kinderzitje Vervoer kinderen met een lichaamsgewicht van 13-18kg in een